Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik," riep Yiehof. „Wie houdt ?"

„Drie tegen één, om een gulden !"

En nu volgde een verward geroep, waaruit Wiechen niet wijs kon worden, een nabootsing van het geschreeuw der bookmakers op de rennen.

„Hou je?" vroeg Arnolds hem, en op een toestemmend knikje begon men te spelen.

„Wat is dat voor een spel?" vroeg Wiechen, die Arnolds midden in een serie zag ophouden, terwijl Yiehof voortspeelde.

„Gewoon vijftig punten."

„Waarom hield je dan op, zooeven?"

„Omdat ik den bal gemist had."

„O, ik dacht dat hij raak was," zeide Wiechen, die Viehof door zag spelen tot hij een enorm eind vóór was, en begreep zijn gulden kwijt te zijn, dien hij dan ook even later betaalde, uit een ander zakje echter dan waarin het klein-geld van daareven.

„Wat is dat?" vroeg Yiehof. „De cöte is vijf tegen één gebleven. Vier pop erbij, alsjeblieft."

En Wiechen, bij zich zelf zwerende dat hij hem die vier gulden duur zou laten betalen, betaalde, uit vrees dat men zou denken dat hij de terminologie der paris niet kende, wat toch inderdaad het geval was, en de anderen zeer goed wisten.

Inmiddels was van Vleuten thuisgekomen, en had zijn wederwaardigheden van den middag aan Betsy verteld.

„Wees vooral voorzichtig," waarschuwde zij. „Ik heb al lang begrepen, dat menschen, die geruimen tijd in Indië zijn geweest, te naief zijn geworden voor Europa. Wij worden van alle kanten beetgenomen, als we niet oppassen. En het is alsof men elkaar het wachtwoord geeft."

„Nu ja," zeide hij; „dat kan zijn bij groentenboer en

Sluiten