Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zooals u wilt. Tot straks dan. Dag meneer Wacht.

ik zal u even uitlaten."

Toen van Vleuten vertrokken was, ging Wiechen een oogenblik voor den spiegel staan. Op zijn voorhoofd vertoonde zich een roode vlek. Hij bette die met water uit een fonteintje in den hoek vau de kamer, en eerst toen ze geheel verdwenen was, schelde hij.

„Juffrouw Bosch heeft twee kwartjes gebracht," zeide de bediende, het geld neerleggend. „Ze zou morgen nog twee kwartjes brengen. En dan is meneer Boom in de wachtkamer."

„Goed, laat binnen. En als juffrouw Bosch morgen niet komt, ga je er heen, en zeg dat ik haar man laat gijzelen, als het zoo door gaat. Ze moet geregeld eiken maandag één vijftig brengen. — Dag Boom," vervolgde hij toen deze binnenkwam. „Ga zitten. We moeten eens ernstig spreken. De zes maanden zijn straks om, en ik geloof dat je over mij niet te klagen hebt, wel?"

„Ik krijg nog vijf gulden van de vorige week, toen je..."

„Al wel, ik zal ze je geven. Maar hoe staat het nu met de machine? Ik betaal je geregeld elke week twintig gulden, zonder iets te zien, eenvoudig op goed vertrouwen. Het wordt tijd, dat ik voor mijn geld iets krijg."

„En wou je dan voor die stomme twintig pop in de week, binnen zes maanden een half millioen hebben ?" riep Boom verontwaardigd uit.

„Dat is de quaestie hier niet. Jij zat aan lager wal, en had noch geld om te leven, noch om je machine af te maken. Toen heb je mij gevraagd om je te helpen, en dat heb ik gedaan op je eerlijke gezicht af. Want van je machine heb ik geen verstand. Maar ons contract zegt, dat je in zes maanden het ding klaar moet hebben, er ik je daarvoor zou verstrekken driehonderd gulden voor gereedschap — die je

Sluiten