Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

Het was een drukke dag aan het strand te Scheveningen. Met moeite hadden van Vleuten en Betsy een paar stoelen gekregen, waarin zij waren neergestreken in die beginnende loomheid, die de zeelucht veroorzaakt bij hen die er niet dagelijks in verblijven.

„Wat zijn we lui," merkte Betsy op, een geeuw verbergend.

„Ja," erkende hij. „En ik vooral. Dat nietsdoen, dat me eerst zoo aangenaam leek, begint me hartelijk te vervelen. Maar hoe ik zoek, werk schijnt hier moeielijk te vinden. Als we eens gingen reizen ?"

„Reizen kost geld. En je weet wat je mij beloofd hebt, Jan."

„Nu ja ....", begon hij, doch zweeg toen zij hem ernstig aankeek.

De belofte waarop zij zinspeelde, was gegeven enkele dagen nadat hij zijn geld bij Wiechen gebracht had. Toen hij haar verteld had, hoe prachtig hij dat had belegd, en zij nu royaal konden leven. Eerst was zij met hem blij geweest, maar eens, toen zij Wiechen had gezien, had haar een onverklaarbare angst bekropen. Zij had toen buiten haar man om geïnformeerd, en men had haar allerlei verschrikkelijks van dien zoogenaamden bankier verteld. Hij was een woekeraar van de allerergste soort, klein begonnen,

Sluiten