Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en bleef toen als verrast voor de jonge weduwe staan, die hem nu ook herkende.

„Mevrouw," zeide hij, „ik heb de opdracht u te ontvoeren, en direct bij mijn vrouw te brengen. Meneer Wiechen. tot ziens."

Het lukte. Eer Wiechen tijd had had zich te bezinnen, had mevrouw van Groningen hem met een koele neiging zijn afscheid gegeven en was met van Vleuten meegegaan. Wiechen zag, of meende te zien, hoe de gezichten in zijn omiddellijke omgeving spotachtig grijnsden. Woedend liep hij weg.

„Om u de waarheid te zeggen, ben ik heel blij, dat u mij weghaalde," zeide de jonge weduwe. „Maar ik was alleen, en wist niet hoe dien man kwijt te raken. Hij is mij, toen ik pas hier kwam, een oogenblik van dienst geweest, op aanbeveling van een kennis."

De beide dames begroetten elkaar hartelijk. Van Vleuten stond zijn stoel af aan mevrouw Van Groningen, en verklaarde een eindje te willen oploopen langs het strand.

Nauwelijks was hij uit de stoelenrijen, of iemand schoot op hem af. Het was Boom, gekleed in een keurig grijs pakje, een Panama-hoed op het hoofd.

„Dag meneer Van Vleuten. U heeft daareven een goed werk gedaan."

„Hoe bedoelt u dat ?" vroeg de aangesprokene eenigzinskoel. „Zag u niet hoe iedereen er pret in had? U heeft, wil ik hopen, de reputatie van een fatsoenlijke dame gered. Men heeft nu begrepen, dat zij er argeloos was ingevlogen. Maar anders... De vrouw, die zich in het publiek met Wiechen zien laat, is reddeloos gecompromitteerd. Dat is toch duidelijk." Van Vleuten keek den ander gespannen aan.

„Weet u dan niet wie Wiechen is?" vroeg Boom verwonderd. „En waarmee hij zijn geld verdiend heeft?"

Sluiten