Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren juist die menschen, die hij in de meest benarde omstandigheden geholpen had. Weliswaar gelukte het zelden den eersten zegsman uit te vinden, maar die enkele malen was diens naam dan ook geregeld in zijn boeken op te slaan geweest. Als wanbetaler natuurlijk. Maar hij wilde niet klagen. Dat diende tot niets. Nog eenigen tijd, dan zouden de groote zaken die hij deed, zijn afgewikkeld, en wilde hij den Haag verlaten, naar het buitenland gaan, meenemende de eenige wier liefde en aanhankelijkheid tegen alles bestand was gebleken, zijn dochtertje Ella.

Marie van Groningen was geroerd. Niet alleen die vreemde menschen gaven hem verdriet, maar zij gevoelde, hoewel hij het met groote kieschheid verzweeg, dat ook zijn huiselijk leven niet gelukkig moest zijn. En aan den anderen kant bewonderde zij de wilskracht, waarmee hij dat alles droeg en te boven kwam.

„Woont u al lang in den Haag?" vroeg zij, toen het gesprek staakte.

„Ruim veertien jaar," zeide hij. „Ik kwam hier met... maar ik zal u vervelen, met zooveel over mezelf te praten..."

„Volstrekt niet!" riep zij uit. „Ik hoor graag van levenservaringen, die van de alledaagsche afwijken."

„Ik kwam van het platteland. School had ik bijna niet gegaan. Eindelijk was ik zoover, dat ik vast in dienst kwam bij een klein boertje. Mestkruien was mijn eerste bezigheid, maar ook mijn laatste. Want daar ik eigenlijk nooit genoeg gegeten had, was ik voor dat werk niet sterk genoeg. Toen wist ik mijn vader over te halen, mij dienst te laten nemen bij het militair. Dat was mijn opkomst. Al dadelijk begreep ik, dat ik wat leeren moest; lezen, schrijven en rekenen in de eerste plaats. Toen kwam ik vooruit, en bracht het eindelijk tot onderofficier. Maar daarmee hield het op. Officier kon ik nooit worden."

Sluiten