Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar die Boom leek me zoo'n fatsoenlijk man!"

„Zeker, mevrouw, dat doet hij ook. Maar oordeelt u eens zelf. Hij heeft enkele jaren geleden een reusachtig faillissement geslagen, dat nog niet is afgeloopen. Gewerkt heeft hij sedert nooit. Zijn familie kan weinig of niets aan hem doen. Hij is altijd even netjes gekleed, en als hij niet slaapt, zit hij in een koffiehuis. Zuinig is hij niet eens. En waarvan moet die man nu leven, als het niet is van oplichterijtjes, meent u ?"

Betsy zweeg, terwijl de tranen haar in de oogen schoten.

„Zijn het dat allemaal smeerlappen, in dit land ?" riep zij eindelijk uit. „O meneer, helpt u ons uit hun handen! Daar zijn wij niet tegen opgewassen. Ik zal mijn man dadelijk bij u sturen. Wanneer wilt u dat hij komt?"

„Vanavond, of morgen om half één. Schikt dat?"

„Hij komt vanavond," zeide Betsy, met de haar eigen beslistheid.

Thuiskomende zag Betsy de deur van van Vleuten's kantoortje open staan. Meenende, dat zij vergeten had die te sluiten, wilde zij haar verzuim herstellen, toen zij bemerkte, dat haar man thuis was.

„Ben je al thuis ?" riep zij uit. „Wat lees je daar ?"

„Niets," zeide hij, het boek dichtslaande. „Ik bladerde een beetje in een bijbel, dien ik toevallig inhanden kreeg. Waar ben jij heen geweest?"

„Je hebt ergens veel plezier van," zeide Betsy, hem oplettend aanziend. „Wat is het?"

„Dat zal ik je bij gelegenheid wel eens vertellen," beloofde hij. „Ik geloof, dat ik wat gevonden heb, maar

enfin, eerst moet ik zeker zijn. Waar ben jij intusschen heen geweest."

„Eerst naar het kantoor van Wiechen, en toen naar je advocaat," zeide zij.

Sluiten