Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerst langzamerhand, toen hij, den gegeven raad volgend, een hap droge rijst gekauwd had, begon het te minderen, en kon hij weer spreken. Maar hij weigerde halsstarrig nog iets te nemen van hetgeen hij op zijn bord had, zelfs niet toen Marie er het een en ander had uit gevischt, en er versche rijst aan had toegevoegd.

„U bedoelt dien knoeier, die vrouwen afhielp van hun begane fouten?" zeide hij eindelijk.

Als hij niet zoo'n pijn in den mond gehad had, zou hij het nooit zoo kortaf hebben durven zeggen, en hij was blij, toen zij knikte, de oogen afwendend.

Het was eruit. Zonder het nu verder bij den naam te noemen, kon men erover spreken.

„U voelt, dat ik niet bij hem blijven kan," begon Marie, na een poos. „Hij wil nu naar Parijs, en daar dat... dat... voortzetten. Hij meent, dat daar meer mee te verdienen is. dan met wat hij nu doet."

„Woekeren," zeide Boom, die door de rijsttafel smaak scheen te hebben gekregen de dingen bij hun naam te noemen. „Och, in zoo'n groote stad valt het allicht minder op. Hij zou het een met het ander kunnen blijven vereenigen."

„Ja, maar ik ga niet mee. Verbeeld u, hij wil, dat ik hem met het fransch zal helpen. Ik zou dan die verschrikkelijke menschen moeten zien en spreken, die komen om bloedgeld, of dat andere

„Kom, mevrouw, u maakt u er een voorstelling van, die met de werkelijkheid niet overeenstemt. De menschen die geld komen halen, zijn altijd vol hoop, dat hun moeielijkheid tijdelijk zal zijn. En zoo niet, dan probeeren ze het maar eens, en zijn betrekkelijk onverschillig. Als de leening gelukt, zijn ze opgewekt. Ook als ze komen betalen; want iemand die betalen kan, is zeker vroolijk."

Sluiten