Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, zóó...

Marie moest lachen. Op die manier voorgesteld, moest het bedrijf van een woekeraar zoowat het prettigste van de wereld zijn. Geen doffe blikken, wanhoopsbewegingen, of wat ook eenerzijds, — geen koude wreedheid in het oog, verschrikkelijke bedreigingen aan den anderen kant, zooals het stond in romans en gedichten ?

„Daar staat zooveel in, dat niet waar is, of dat de een van den ander overschrijft," zeide Boom. „Maar dat kan ik u verzekeren; ik ben dikwijls bij Wiechen op het kantoor geweest, en heb er nooit anders dan vroolijke gezichten gezien. Op een enkele uitzondering na tenminste. Kijk eens. als de lui betalen moeten en niet kunnen, dan probeeren ze uitstel te krijgen; en bij zoo'n gelegenheid trekken ze een somber gezicht. Wiechen doet het dan ook. Hij heeft dan iets vaderlijk vermanends over zich, dat hem almachtig dwaas staat. Dat alles duurt echter zoolang de lui op het kantoor zijn. Komen ze er uit, dat ziet men een spotlachje of ze steken even de tong uit. En Wiechen zit op zijn stoel, het met zichzelf oneens; als je binnen komt, vragend of je over meneer die of die een opinie hebt, en wat het beste zou zijn, hem vervolgen of uitstel geven."

„Enfin," zeide Marie, „dat is ook het ergste niet. Maar dat andere? Hoe denkt u daarover, en wat heeft u daar van gezien?"

„Dtór komt uit den aard der zaak niemand bij," zeide Boom. „Als men in de wachtkamer zit te wachten, worden er soms een paar dames binnengelaten, die wat vreemd doen. Je kunt ze moeielijk vragen, wat ze hebben, en op het kantoor komen ze niet. Als je ze de deur uit ziet komen, wippen ze meestal zóó haastig weg, meestal in een rijtuig, dat je geen tijd hebt ze op te nemen."

„Toch zien ze er zeker vreeselijk ontdaan uit?"

Sluiten