Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Neen, dat heb ik nooit gezien. Soms een verbeten lachen, en anders óók vroolijk."

„Ik geloof nu, meneer Boom, dat u er een beetje gekheid mee aan het maken is."

„Op mijn woord niet, mevrouw. Maar, hoe komt het eigenlijk, dat u mij daar naar vraagt? U moet toch zelf, waar u bij hem woont...

„O neen, ik heb nooit iemand willen zien, die bij hem kwam. En vooral sinds ik dat weet!"

„Dat gebeurt anders niet waar u woont."

„Wat zegt u ? Waai- dan ?"

„Waar zijn eigen vrouw woont."

„O God ! Foei! O !"

Marie had een kleur van verontwaardiging. Dus kwam hij niet alleen bij die vrouw, met wie hij voorgewend had niet gelukkig te zijn, en in onmin te leven, maar zelfs oefende hij daar zij vieze practijken uit! En waarschijnlijk had die er genoeg van gekregen, en wilde het hem beletten, en daarom die verhuizing naar Parijs. En nu moest zij mee daarheen, en daarbij assisteeren ...! Neen, er mocht gebeuren wat wilde, maar dat nooit! Daartoe was zij niet te krijgen

„Die man dégouteert mij," zeide zij, als slotsom van haar nadenken.

„Dus, wat wil u doen ?" vroeg Boom.

„Niet meegaan, van hem af! — Ziet u eens, meneer Boom, hier heb ik het bewijs van een aangeteekencien brief. Daarin stuurt mij een neef in Arnhem het pensioen, dat (]&&r nog altijd geind wordt. U weet misschien, dat ik Indisch pensioen heb ? — Zou u dien brief even voor me willen gaan halen ? Ik durf niet zelf te gaan, en als het niet vandaag gebeurt, komt er nog zoo'n kennisgeving, en die kan ik misschien niet uit de bus drijgen eer hij die ziet."

Sluiten