Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Luister eens," zeide Beenhuis. „Wil je voor mij een zaakje opknappen in München ? Ik heb op het oogenblik geen tijd, en ga er ook liever niet heen."

„Leg me eerst uit wat het is," zeide Boom. „Om naar München te gaan, heb ik wel tijd, maar ik dank er voor, om in jou plaats opgepakt te worden."

Geen vrees," lachte Beenhuis. „Het zou een quaestie van gijzelen zijn, en dan kunnen ze den verkeerden toch nooit nemen. Ik zal je de zaak uitleggen. Ik ben een poos geleden naar München geweest, en heb voor een kennis, die in den diamanthandel is, een collier meegenomen, om zoo mogelijk te verkoopen. Dat is ter bezichtiging gegeven aan een rijken Jood, die er wel zin in had. Maar het ongeluk wil, dat mvjn mannetje daar, toen het op het sluiten van den koop aankwam, heeft verteld, dat ik het er gebracht had. En het toeval wil, dat degeen, die het had, ook met mij in relatie stond."

„Dat wil voor een gewoon mensch zeggen, dat je schuld aan hem hebt. Is het niet?"

„Nu, ja. Een wisseltje van vierduizend francs. Dat komt terecht, zoodra een andere zaak afloopt."

„Dat kennen we," zeide Boom. „Als je er niet buiten kunt. Maar verder."

„Welnu," meende Beenhuis, „de zaak is hoogst eenvoudig. Er hoeft maar iemand naar München te gaan, en de noodige stappen te nemen, om namens mijn vriend dat collier te reclameeren. Men heeft gedacht, dat het van mij was, en zich daarin vergist. Zoodra liij het reclameert, wordt het afgegeven. Misschien moeten er een paar gerechtelijkz stappen gedaan worden, maar dan is het ook uit."

„Wat verdien ik eraan?"

„Vijfhonderd pop en vrij reis en verblijf. Altijd, als je er niet langer dan een week over doet."

Sluiten