Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Meneer van Vleuten, u kent mij misschien niet meer-?-'

„Inderdaad ...

„Boom! Uit den Haag."

Van Vleuten keek hem vragend aan, alsof hij op nadere mededeelingen wachtte.

„Ik hoorde, dat u hier was komen wonen," ging Boom voort. „Mijn vrouw en ik brengen hier 's zomers meestal een paar weken door, en .... toen herinnerde ik mij een oude schuld "

„Ja," deed van Vleuten, onverschillig. „Voor 'n uitvinding, of zoo iets, niet waar ? Is u geslaagd ?"

„Geslaagd wel," antwoordde Boom. „Maar ik heb besloten de uitvinding te laten rusten. Ze is mij steeds ten voordeele geweest, en ik heb gewetensbezwaren haar te publiceeren. De geweldige gevolgen "

„Wat verschaft mij eigenlijk de eer?" vroeg van Vleuten.

„Zooals ik zeide. We hebben nog een oude schuld te vereffenen. Ik ben daartoe nu in staat."

„Meneer Boom, ik wil voor u niet onder doen. Laat ons de menschheid niets in handen geven, wat haar ongelukkig zou maken. Mocht u dus omtrent het geld, dat u mij indertijd ontfutseld hebt, ook gewetensbezwaren hebben, welnu, er is een armenbus. Ik zie er van af, en tevens van voortzetting onzer kennismaking."

Boom wijfelde een oogenblik. Hij scheen de kansen te berekenen, die hij kon hebben bij een persoonlijken aanval. Van Vleuten keek hem bedaard in de oogen, en haalde een zilver fluitje uit zijn vestzak.

Op dat gezicht wendde Boom zich om, en vertrok zonder groet.

Van Vleuten kwam terug bij Betsy.

Op hetzelfde oogenblik, dat Boom, zich zooveel mogelijk

Sluiten