Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paardenhoeven. De Klerk mende, rustig ging het huiswaarts. Totdat, ineenen, door een plotselingen schrik bevangen, het beest bleef stilstaan, stokstijf op zijn sidderende pooten, en in hevige bewogenheid blijkbaar, de kop wendde, links en rechts. Een hinnikgeluid, rauw in de stilte, stootte het uit. Charlotte voelde zich rillend verbleeken, ze greep De Klerks arm ....

„Laat me even los, Charlie. . . ."

Hij o-reep de zweep en striemde het dier een feilen slag over den gladden rug heen. 't Beest beefde nog heviger, maar verroerde niet z'n als stijf-gekrampte pooten. En nog heviger sloeg De Klerk het wreede zweepkoord over den weerloozen rug, dat t hoorbaar neerkletste, maar er kwam geen beweging in. Alleen een hinnik, rauwer en angstiger nog dan de eerste maal stootte het uit. Tot er uit de verte een klein licht te voorschijn blonk en geratel van plompe wielen, eerst gedempt, dat luider, wreeder, de stilte doorscheuren kwam. Een leege ossekar kwam holdebolderend uit 't duister naar voren. Als bezeten draafden de beide grauwe, bultige trekdieren, plompen kop vooruit gerekt op den korten nek, oogen woest-gesperd. En in het voorbijgaan gilde de naakte, zwarte karrevoerder, zn zweep zwaaiend in den pezigen, geheven arm, z n mond wijd open, naar 't stilstaande hooge karretje op . . . .

rimaü .... rimaü" Dan ineenen, met een opsprong, die de inzittenden haast 't evenwicht deed verliezen, begon „Wies" nu weer te loopen, zoo woest-snel, dat De Klerk 't beest maar met uiterste inspanning van kracht en wil in bedwang hield. Naar den anderen, den rivierkant toe verwijderde zich de plomp-ratelende ossekar met de beide geelgrauwe, bezeten beesten ervoor en

Sluiten