Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ruwvellige, dikke lippen van haar Inlandsche grootmoeder, maar ook met prachtige, glanzend-zwarte oogen en 'n weelde van donker, niet geheel sluik haar, fijner en zachter dan Javaanschen 't hebben — altijd gehoopt in Holland te trouwen met 'n Indisch ambtenaar of 'n officier, die haar weer zou meenemen naar de tropen terug — in dat koude Holland blijven, nóóit — maar 't was haar niet gelukt. Nu hoopte ze nog op dien man, die niet komen wou en onder haar oppervlakkig-Hollandsche opvoeding 'n echte kampongnonna gebleven, zonder verfijning, zonder 'n hooger gevoel van welvoeglijkheid, was ze nu tegenover de jongelui, die „Goenong-Djatti" bezochten, overdreven, opdringerig lief, beeldde zich dan gauw in, dat ze verliefd op hacir waren en maakten scènetjes, als ze haar, voor 'n ander, of uit verveling, na 'n korte flirtation lieten schieten. Wat dan weer ten gevolge had, dat de meesten, bang voor avances en ontrouw-beschuldigingen van de zijde der nonna, voor korter of langer tijd en zoover 't de dienstverhouding tot hun chef toeliet, „Goenong-Djatti" vermeden. Ze was nu zeven-en-twintig en Nelly bleef maar vertrouwen, haar nog wel aan den man te zullen brengen, bleef haar aanmoedigen, wist, als Amelie weer 'n oogje had op iemand, listig 'n voorwendsel te vinden voor 'n dineetje of 'n avondfeestje, waar 't slachtoffer dan werd naast Amelie gezet, met den moederlijken raad aan 't nonnaatje, nu maar 's goed te „flirten."

Maar Amelie kon niet flirten. Zegichelde wel zoowat als een schoolkind en dee naïef met kleine kirlachjes achter haar waaier en zei onbenulligheidjes met een sterk Indisch accentje, dat ze in Holland niet was kwijtgeraakt.

Kolff, de rijke administrateur van „Djamboe" —

Sluiten