Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ingewijd, dat Amelie er iedereen mee lastig viel: een zoo goed als vreemde, een bejaarde dame, die op 'n doorreis voor een paar dagen gast was geweest te „Goenong-Djatti," was ze den eersten avond al met haar hartsgeheimen aan boord gekomen.

Zelf tamelijk gesloten, waar 't gevoelsdingen betrof, had Charlotte dat mallootige uitflappen van Amelie aller-antipathiekst gevonden, was er boos om geweest, had zich beetgenomen gevoeld en zich voorgenomen zich niet meer met 't nonnaatje te bemoeien.

Doch zoetjes aan was dat weer bijgeluwd: een zieltje was Amelie toch óók wel. En eigenlijk aansprakelijk stellen voor wat ze door gebrek aan onderscheidingsvermogen en aan natuurlijke pudeur misdeed, kon je ze ten slotte niet.

„Nou wat had je dan?" spotte ze zoo'n beetje. En ze moest er toch ook even achter zeggen: „dat je geheimen niét bewaard worden, daar zorg je zelf wel voor, dat hoef ik niet te doen."

„Kolff zal me vragen .... Donderdag-avond na 't diner . . . ."

Even zat Charlotte gebluft. Amelie beweerde met zoo een zekerheid .... zou nou waarachtig tóch . . .. ? Maar ach-wel-nee. De kerel hield 'r voor den mal met open oogen; stom, die 't niet zag.

„Hoe weet je .... ?"

„Kijk hier . . . ."

Uit haar kabaaj frommelde Amelie 'n brief te voorschijn, legde die voor Charlotte op tafel. Gespannen bekeken de glanszwarte oogen 't kalme, matbleeke gezicht van de ander, die den brief had opgenomen en las.

Sluiten