Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja zeker," zei Amelie, in volle gerustheid. ... „en je ziet 't, Charlie, nou is-ie nog altijd niet getrouwd. Ik zou je danken.... 'n man met rood haar! Maar Herbert "

De zwarte oogen liefkoosden het portret, dat ze uit den brief had genomen en in de hand hield.

„Laat mij óók eens . . . ."

Het was Kolff in jachttenue, ten voeten uit. Stevig — een knappe kerel was hij wèl, alleen wat al te gezet voor z'n vijf-en-dertig jaren — en parmantig, 't hoofd met den zwaren donkeren snor en 't kleine gepluimde hoedje, zelfbewust geheven.

„Knappe jongen hè?" prees 't nonnaatje, met 'n sensueel kir-lachje.

Charlotte keek op 't portret.

„En als-ie je nou niet vraagt?"

„Maar hij vraagt me .... Ik ben er zeker van Ach jij ook altijd met je „als"."

Ze zwegen. Onder-langs het galerij-hekje, waarbij ze zaten, liep langzaam de nachtwaker voorbij. Charlotte riep hem aan.

„Poekoel-brapa, oppas?"

De wachter bleef staan, kwam vlak tegen 't hekje, hield z'n horloge dicht onder de oogen.

„Ampir poekoel sablas, nja," antwoordde dan z'n trage, diepe stem eenzaam in de stilte. Onverschillig zei hij het uur, dat voor hem geen beteekenis had; de heele nacht van waken en ommegang lag nog voor hem, 't morgenuur was de tijd, dien hij beidde. Charlotte sprong op.

„Elf uur haast," herhaalde ze. „Ik ga slapen, hoor Maar de wachter sprak nog, ongevraagd nu. Uit 't

Sluiten