Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze 't bordje pap voor Charlotte's kindje aanhoudend dreigde uit de handen te zullen slaan.

„Hè Wies, wat ben je weer onaardig met Païma."

Wies hoorde niet, ze ontdekte juist Oemoer, die ze met 'n duw haast tegen 't tafeltje deed wankelen. Hoog springend op de teenen, schaterde ze 't uit. En den jongen, die vroeger wel met haar had mogen spelen, tintelde even stoeilust in de zwarte oogen, maar dadelijk voelde hij, met z'n onderdanigheid, de waardigheid van het khaki-livreitje en hij stond daar, 't blinkende blaadje in de neerhangende hand, de voetjes tegeneen, oplettend en bescheiden, als een goed-gedresseerd kelnertje.

Tot Charlotte, snel uitdrinkend, 't kopje op 't geheven blaadje terugzette en de jongen zich met z'n kleine, net-afgemeten pasjes verwijderen kon.

Païma was intusschen met de baby neergehurkt op de mat en Wies ging, in prettige aandacht, naast haar zitten kijken, hoe ze 't kindje voeren zou. Oplettend volgden haar oogen 't doen van de kleine baboe, die handig en zorgzaam de warme rijst-met-bouillon bij kleine beetjes in 't onbeholpen-happende babymondje lepelde. De losse blonde krullen vielen in 't gebogen toekijken Wies aan weerszij van de ooren en langs de wangen naar beneden, dat bloot kwam het forsche, zon-gebruinde nekje, 't Ruggetje daarbeneden, zichtbaar in den heel wijden hanssop, was blank en blauw-dooraderd, scherp was de grens tusschen 't bruin en blank, waar de eenvoudige jurken reikten, die ze gewoonlijk droeg. Uit de mouw-looze armgaten, de korte wijde pijpen staken beenen en armen, bruin en forsch, dicht van glanzende haartjes bezet.

Sluiten