Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooruitzicht — verder gingen haar levensidealen niet. De weelde overstelpte haar geenszins — als 't een parvenu doet, zoo, dat die niet eens ze goed genieten kan ; — ze had 't ook in Holland goed gehad, dit leven was alleen nóg royaler, nog breeder, nog zorgeloozer.

Ze hield — goedhartig en licht-bewogen, maar niet diepgevoelig, aanhalig, doch zonder eigenlijken hartstocht

— heel veel van haar man, dien ze bewonderde om z'n stevigheid, z'n precies-weten-wat-hij-wilde, z'n klaar practisch inzicht, dat haar de hoogste vorm van intelligentie scheen. Ze hield van Wiesje, al vermoeide en verveelde 't drukke kind haar soms en — haar aard geneigd tot makkelijke en oppervlakkige genegenheidjes

— ze hield van Amelie óók wel, met 'n sentimenteel familie-zwak, ze was op haar manier gehecht aan oude baboe Dalima en verwende die met baadjes en afgelegde sarongs van haar-zelf en rommel van Wies, voor haar kleinkindertjes in de kampong, ze verwende óók 't kleine kereltje Oemoer, trok zich 'n bochel-kindje van een der koetsiers aan, scharrelde iederen dag haast in de bijgebouwen, zich interesseerend voor alle kleine perkara's — ziekte, 'n minnarijtje, 'n onverwacht erfenisje

— der Inlandsche bedienden, niet uit plichtgevoel, maar omdat ze er plezier in had, en verzorgde met 't factotum Tabri haar tuin, als er tenminste geen gasten werden gewacht en ze voor tafel en menu had te zorgen. Want dan was de dag gevuld door lange conferenties met Kim-Lo, die inderdaad 'n voortreffelijke kok was, in twintig minuten 'n schotel klaarmaakte en sierlijk opdeed, waar een Javaan anderhalf uur — en dan nog hoe — aan verprutste, nooit z'n hoofd verloor, al kwamen er ook menschen onverwacht, en, volgens

Sluiten