Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

licht héél bescheiden, lila en donkerder paarse, maar van 'n zoo nobele tint, dat de door 't gevlochten dak heen kleurende bougainville er hinderlijk-boersch-grof bij werd, schenen vluchten broze vlindertjes met nerveuse, wijdontplooide vleugels bovenop de ranke steeltjes.

Nelly stond in stomme verblijding. Dan, met 'n jubelende trots:

„Hoe zijn ze vandaag, m'n orchideeën?"

„Ze zijn verrukkelijk," antwoordde Charlotte. „Die lichtgele daar .... zoo zacht.... zoo droomerig, zou je zeggen . ..."

„Wil je ervan?"

Charlotte schrok van het voorstel. Dwaze Nel! Ze zou 't doen ook, zoo maar die rijke bloemtros afsnijden, om haar genoegen te geven. En ze wees 't haastig af, meteen bedenkend, dat Nelly toch was, bij al de dwazigheden van haar oppervlakkige, tegelijkertijd lichtbewogen natuur, een innig-goed schepsel. Wat was zij-zelf niet maar dadelijk gastvrij ontvangen op „GoenongDjatti." Hadden ze haar, toen William naar Java ging, niet evengoed met haar kindje in de stad kunnen laten ? Daar had ze toch ook een aardig huis en een gezellig tuintje. Toch hadden ze haar, De Klerk en Nelly, letterlijk gedwongen, hun gast te zijn voor zooveel weken, maanden konden 't wel worden, als Williams verblijf op Java zou vorderen. En 't leven was er heerlijk, op „Goenong-Djatti," al was Amelie dan wel 's wat hinderlijk en Nelly vaak vermoeiend. Maar zóó, expansief en gaarne haar gevoel betuigend, was nu eenmaal haar natuur. Charlotte dacht, dat ze haar dan wel 's koud moest vinden, die nooit een spontaan woord van genegenheid zei, of zich uitte in een liefkoozing ....

Sluiten