Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V.

't Was al tamelijk warm, toen de breede, zwart-gelakte landauer, blinkend in de zon, eindelijk snel-dravend heenreed, de stad tegemoet. De koetsier had de kap van dof, blauwig-zwart leer omhoog gespannen en daaronder zaten nu Nelly en Amelie beschut. Kleine Wies in 'n korte witte jurk, met borduurstrook, lage kousen en witte schoentjes aan de gekruiste stevige beenen, zat op 't smalle bankje. Ze droeg een grof-strooien passarhoed met 'n breed schotsch lint, en ook haar nieuw parasolletje van witte zijde met goudgele Chineesjes erop, hield ze blij en trotsch boven haar vroolijke gezichtje met blonde krullen geheven.

Er was — de koelies waren sinds den vroegen morgen reeds aan 't werk, de velden in — niet veel verkeer op den grooten weg. Enkele karetta-sewah's, kleine vaalgele karretjes als gesloten doosjes, ratelden luid en snel voorbij. Op den lagen bok zat de tierende koetsier en binnenin, nauw zichtbaar z'n witte baadje door de opening van 't neergetrokken schuifje, liet zich een bedaarde Chinees in kraakheldere kleeren voortrijden landwaarts in. Nu passeerde de landauer, 't riviertje voorbij, dat

Sluiten