Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De een kort na den ander arriveerden nu op hun hooge buggies of in tentwagentjes de vier administrateurs. Drost en Van Lent, gewone typen van al zoo een beetje bejaard rakende planters, 't grijzende haar kortgeknipt en allebei wat links zich bewegend in de stijve witte pakken met hooge, gesteven boorden — thuis droegen ze er met slappe, liggende halskraagjes

— en de knellende schoenen. In het monotone, maar makkelijke leventje met een Inlandsche huishoudster op een verre plantage, waar ze zich voor niemand en in niets hadden te ontzien, waren ze 't mondainere gedoe

— dat 't stadje had als middelpunt, en waarin ook de rijke plantersfamilies der omliggende ondernemingen meededen — wel zoowat ontwend. Harkerig en lacherig stonden ze in de lichte, ruime voorgalerij, met de weelde van planten en door den glans der lampen tot kostbaarheden vermooide snuisterijen.

Als ze dan ook tegen de gastvrouw hun compliment en gelukwensch hadden afgestoken, hielden ze zich maar bezig met mekaar en met Wiesje, die vrij en ongedwongen antwoordde, als kind, dat voortdurend leeft tusschen enkel volwassenen

„Echte kaffers," dacht Charlotte, met goedige geringschatting, haar aandacht even weg van Amelie's fluisterende flirtpogingen. En mèt hoorde ze Nelly zich verbazen tegen vader Hans „en tóch allebei van goeie familie!" Die trok de schouders op.

Van Nooten kwam nu ook gauw, de jongste der administrateurs, doch De Klerks gunsteling en z'n vermoedelijke opvolger. Hij was 'n slanke dertiger met 'n smal, schrander gezicht van fijne trekken. Juist alsof hij vroeger altijd heel bleek had gezien. Nu was dat

Sluiten