Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

correct-liefjes, 'n beetje afgemeten toch ook. Ze zei wat plichtmatig iets waardeerends over de illuminatie, maar in haar opmerking — na een langen en onverholen rondblik — over de grootte en inrichting der voorgalerij, klonk oprechte bewondering, met een zweem van jaloezie, die Nelly, gelukkig en argeloos, ontging.

Ze was, Henny Donker, een Haagsch nichtje van de residentsvrouw, opgegroeid in deftig-Haagsche minachting voor Indisch-menschen, die ze, voor zoover ze door fortuin of relaties in voorname kringen werden opgenomen, toch altijd zoo een beetje en-bagatelle had zien behandelen. Dit hier waren nu wel allemaal of nagenoeg allemaal — Van Houweningen, die ze nog uit Den Haag kende, was heüsch heel aardig en héél beschaafd — volbloed Hollanders, maar, bedacht ze geringschattend, wat een typen dan toch. Die twee planters, die haar wel aanhoudend zouden willen beloeren, als ze maar durfden, wat een lui. Maar ze waren administrateur, verdienden misschien veertig, misschien zestig mille jaarlijks en daarom inviteerde mevrouw De Klerk ze, daarom zaten haar oom-en-tante met hen aan ééne tafel. En eigenlijk, redeneerde ze in zichzelf, eigenlijk hadden ze gelijk. Je dee ten slotte alles met je geld; als zoo'n man later met 'n ton of wat op 'n Hollandsche villa zat of reisde zooveel hem lustte, dan maalde niemand er om dat hij 'n lummel was zonder manieren, 'n Mooi gezichtje en 'n gesoigneerde opvoeding waren heel aardig, maar erg vèr kwam je er niet mee. En er waren ook wel beteren onder de planters, had oom De Waal haar verzekerd. De Klerk al, leek wel een aangename, flinke vent. Eigenlijk niets geen man voor die zoete Nelly, met 'r vroolijke naïveteit en 'r

Sluiten