Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nemen, maar goed, Amelie had 't niet eens geprobeerd.

En dat trof de andere, die naïveteit van haar, hoe rauw en nuchter soms in plompverloren uitingen, had toch ook 'n element van spontane oprechtheid.

Amelie had niet geantwoord. Maar 't snikken hield op, ze streek zich de haren uit 't klamme gezicht, liet zich van den ledikant-rand neer en kwam tegenover Charlotte zitten.

„Want zie je," zei die, „je begrijpt toch ook wel, dat je je heelemaal onmogelijk zou hebben gemaakt, Je mag me wel dankbaar zijn, dat ik je heb tegengehouden. Want laat me nou 's denken, dat hij er niemand, ook vader Hans niet en Nelly niet, iets van zou hebben verteld, hij zelf zou je er toch zeker om minachten. En wat wou je eigenlijk bereiken .... wat ging- ie eigenlijk doen?"

„Hem zéggen, hem zéggen...." ze zocht, wat ze in zich opwellen voelde, te formuleeren, „je las toch den brief, je hebt toch 't portret gezien en dan nou, ineens, is t dan niet gemeen, in-gemeen, om me zóó . .. ." Weer kwamen de tranen.

„En dat had je hem willen zeggen?" Er was evenveel medelijden als verachting nu in Charlotte.... al begreep ze 't nóg niet, ze voelde aan, de smartelijkgekrenkte ijdelheid, de felle teleurstelling in de stugge, simpele ziel van die nonna, kampongkind gebleven ondanks een Europeesche opvoeding, en haar onmachtafgunst tegenover dat blonde, dat zuiver-Hollandsche meisje, — dat óm haar blond-en-Hollandsch-zijn, meende ze, op haar voorhad — en dat nu tusschen haar en den man, dien ze wilde, was gekomen.

Amelie knikte.

Sluiten