Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX.

Het was hari-besaar en 'n brandheete dag. 't Had in weken trouwens al niet geregend. Voor 't gewas, dat prachtig en gaaf oogstklaar te velde stond en n iaar van fabelachtige verkoopsprijzen — als t vorige was geweest — beloofde, schaadde die droogte niet, maar menschen en dieren versmoorden _ en zuchtten er onder. Avond aan avond ontlaadde zich de heet-gestookte dampkring - een blakke oven onder t beslaeen blauw van den hemel — in woeste onweders, hevig maar droog, nimmer zich oplossend in 'n milde regenbui, maar steeds weer verterend zichzelf als in ij[delen toorn. Dan dreef 't gehavend wolkenpak, van bliksem gespleten, van donder bebeukt, weer uiteen en weg, tot over de verre bergen, en de hemel stond, als ten andere dage de zon herrees, even strak en blauw en hitte-uitgloeiend als te voren. Maar nu t eenmaal hanbesaar was geworden, scheen 't bruine en gele wer volk die dagelijks-martelende zonnestraling wel vergeten. Niemand althans dacht er aan thuis-blijven, in e schuttende schaduw van tuin of pendoppo, gelaten, ot 't een plicht gold, sjokten ze, te voet de meesten,

zoz

Sluiten