Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koetsier een „langzaam, langzaam," toe. Hij-zelf mende z'n hooge karretje en had daarbij alle moeite Wies in bedwang te houden die ondanks haar beloften voortdurend zat te manoeuvreeren met de lange zweep en overmoedig heen en weer wipte. Kousen en schoenen had ze al uitgetrokken en onder de bank gestopt.

„Wat ziet er alles heerlijk-frisch uit, vader Hans!" Verrukt wees 't kind naar 't glanzende loof aan weerszijden van den weg. En dan schreeuwde ze, voorovergebogen, de handen om den mond getuit als een trompet, een opmerking naar den landauer toe, maar haar kleine stemmetje ging te loor tegen 't stugge leer van de opgeslagen kap.

„Hou toch op met dat gegil," zei haar vader lachend, „ze hooren je immers toch niet.... Pas op, nou wordt 't trekken . . . ."

De weg steeg. In de verte werd 't begroeide emplacement van Poeloe-Biroe zichtbaar. En alles blonk nu al weer in vollen zonneglans.

„Wie wonen er ook weer op „Poeloe-Biroe" ?"

„Hè Wies, je weet toch wel, tante Van Ruyven, je hebt er verleden jaar nog een dagje gespeeld, er zijn twee kindertjes, broer en zusje."

„O ja. Zouden die ook zijn bij oom Kolff vandaag ?"

„Nou ... . Broer is nog zoo erg klein."

„En als we voorbij „Poeloe-Biroe" zijn?"

„Dan krijgen we eerst een heel brok woesten grond, En dan de koffie-landen van „Lador" en dan weer tabak en dan over de rivier.... weet-je nog wel Wies, die groote brug, die verleden jaar is weggeslagen door den bandjir, zoodat oom Kolff toen heelemaal niet bij ons kon komen."

Sluiten