Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Laat 'k dat nou niet.... Dan wordt 't voor Henny weer te laat. Morgen beginnen de races, dan schiet de siësta er ook bij in. En zoo sterk is ze niet."

„Went ze anders al aan 't klimaat?" vroeg De Klerk met wat plichtmatige belangstelling. Tot Henny Donker voelde hij zich niet aangetrokken en Kolff, die een beste kerel was, misstond, vond hij, die teedere bezorgdheid voor de gezondheid van z'n meisje.

Uit 't zij-lokaal klonk snel-onderdrukt geschater.

„Ze nemen Wilters er weer eens tusschen," glimlachte De Klerk, „Wilters, den sinjo. Daarom heb ik 'm gewoonlijk maar hier bij me... . 't is nog 'n protégé van Nelly.... hij 's overigens tamelijk wel onbruikbaar."

„Die vrouw van jou met d'r protégé's!"

„Ja, daar zal jij allicht minder last van hebben."

„Bewaar-me, nee, dat 's nou niets voor Henny."

„Wanneer gaat Rutgers z'n boot eigenlijk?"

„Nog een dag of tien .... dan ben ik eigen baas, man. En dan geef ik een prachtfuif op „Ajerwangi" en 'n jacht, zeg .... ik inviteer je maar vast en binnen zes weken trouwen we."

„Als je nu misschien meteen die inlichtingen en berekeningen wilt hebben over den passar hier?"

„Dank je, nee .... 'k doe 't maar niet.... Al die soesah .... en dan .... wat geeft 't. . . . als de Chinees ze niet afzet, dan verdobbelen de kerels d'r duiten toch wel."

„Zooals je wil," zei De Klerk koel. 't Hinderde hem voor de zooveelste maal weer in Kolff, dat hij voor z'n werkvolk zoo weinig hart toonde. Of eigenlijk, hart hebben, dat was 't woord nog niet dadelijk. Wat

Sluiten