Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat was dat een malle vertooning geweest, al die kleurig-opgeprikte heel- en half-Europeesche dames in geprutste toiletten en met overladen hoeden op — er was er toch maar 'n enkele, onder al die rijke plantersvrouwen, die lust en smaak had, werkelijk mooie dingen uit Europa te laten komen — te zien paradeeren aanhoudend voorbij éénzelfde punt van de tribune. Toen ze haar man had gevraagd, wat dat hardnekkige heen-en-weer gedribbel juist daar moest voorstellen, had hij haar lachend een bleekblond dametje gewezen in 'n tamelijk-slecht-zittende lila japon, met 'n lorgnet op een sproetig wipneusje, een pedant propje, die met een héél eigenwijs gezicht aanteekende in een boekje. Het was de vrouw van den redacteur van 't plaatselijke blaadje, dat met 'n komische naaperij van de groote Europeesche races ieder voor- en najaar toiletbeschrijvingen gaf....

Daar was Nelly nu benieuwd naar.

„Dan moet je dat zien," spotte De Klerk verder, „dan zitten ze 's avonds te neuzen in d'r krantjes of ze er zelf instaan.... en mevrouw die en juffrouw die. En ze zijn 't natuurlijk nooit eens met „dat mensch van de krant", vooral niet, als ze zelf zijn vergeten. Ze weten 't veel beter. Zij hebben drommels goed gezien, dat Mevrouw Rowley d'r japon .... die crème zijen .... groezelig was, vuil bepaald en die blauwe hoed van juffrouw Gerbers, waar dat mensch zoo een ophef van maakte, een prulletje met gevèrfde veeren. Maar ze trekken toch allemaal een nieuw pakje aan den tweeden dag, en ze groeten de kranten-mevrouw erg snoezig en ze halen d'r baby aan en 's middags loopen ze weer te draaien en te dribbelen voor 't

Sluiten