Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„'n Paar daagjes....? Of dat nu nog wel gaan zal ... . Wil zal weer 's aan 't werk moeten ook. Maar enfin, dat is allemaal van later zorg."

„Wat zal-ie baby aangekomen vinden," glunderde Nel. Charlotte knikte blij. 't Kind was de laatste paar weken ongedacht-snel in groei en gezondheid toegenomen. In 'n krandjang van grofgevlochten rotan, wit gevoerd, lag 't naast Charlotte op 'n dun matrasje, ongedekt en in 'n enkel doorschijnend-wit baadje. Ze bukte zich over de mand en tikte 't babytje met één vinger op de Indischbleeke, maar al aardig verstevigende wangetjes, 't Slap-roode mondje lachte, 'n beetje wijsjes en uit 't rose bovenkaakje blankten twee heel smalle tandreepjes te voorschijn.

„Ze was zóó minnetjes, toen hij wegging," vertelde ze, weer overeind in haar stoel, 't bruine haar wegstrijkend van het hoog en ernstig voorhoofd, dat haar zooveel ouder dan vijf-en-twintig deed schijnen, „zóó een poppetje, en die armpjes zoo slap en de wangetjes. . . ."

Ze praatte rad en nerveus, verstak, de oogen neer, een haarspeld in haar eenvoudig kapsel. Dan keek ze weer op en sprak verder, bedaard. Het was een oogenblik van verwarring geweest, te voren. Ze had De Klerk's strakke kijken verrast, en hoe hij nerveus had bebeten z'n snor, toen hij haar onverborgen vreugde had gezien, dat ze nu gauw „Goenong-Djatti" verlaten ging. En weer kwam terug, dat achter haar vreugde vaag-hinderende leedgevoel, om hèm ....

Maar Nelly had 'n goeden raad.

„Charlie, als je nu toch gaat morgenochtend, èn Jootje meeneemt ook, dan ging ik toch vóór 't ontbijt. Tweemaal in die hitte zoo een rit, het is niet te doen,

L

Sluiten