Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevels, waarin de lage, bruine deuren hingen uitgezakt. Nu schrok de kleine baboe op uit haar soezerig kijken. Wah, daar had-je de njonja. Charlotte kwam, glimlachend, zachtjes loopend op de teenen nader. Het kindje sliep steeds. En even hadden ze een fluistergesprekje van dat 't zóó was aangekomen de laatste weken en wat er de toean wel van zeggen zou. Achter z'n krant om loerde de planter naar 't jonge vrouwtje. Païma vroeg, of de karetta-api nu gauw zou komen? „Nog vijf minuten," veronderstelde Charlotte, richtte zich op en liep weer naar buiten.

Ze keek naar de klok. Ja, nog vijf minuten, en hij was gewoonlijk wel op z'n tijd, de haventrein. Nog maar 's een keer of wat heen en weer drentelen, 't Perron was volgeraakt, maar er waren zoo goed als geen Europeanen. Een dikke nonna met een japon vol kanten, een hoed met roode rozen en een even dikke, zwaarbepakte baboe achter zich aan, zag Charlotte den hoek om, 't perron opstuiven en de eerste-klasse wachtkamer in. Ze had even, met een vagen glimlach, naar de bereddering der opzichtige dame gekeken en drentelde weer verder. Overal op de gele klinkertjes zaten nu Chineezen neergehurkt in glimmende zwarte broeken van dunne, zeildoekachtige stof, sommigen lagen halflanguit, rookten strootjes, waarvan ze met droomerig genepen oogen den rook natuurden. Maar een enkele vond reden Charlotte na- en weer tegemoet-te-kijken met botte nieuwsgierigheid.

In de tweede klasse-wachtkamer — stoelen en tafel daar eenvoudiger, witte, kale muren al wat begroezeld — zat een groepje jonge Japansche meisjes onder toezicht van een veel oudere vrouw. Uit 't schemer-duister binnenin

Sluiten