Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar m'n vrouwtje.... zoo een sterk vrouwtje, hoe kün je . ..

„Wil.... ik geloof, dat er nóg meer vreeselijke dingen gebeuren zullen."

„Nóg meer. . .. kom . . . . 't kan nou wel voorloopig. Maar die dokter, die De Jongh heeft ongelijk .... de eene helft van het echtpaar Van der Hoeff tenminste is wèl overspannen. Jij bent er niet op vooruitgegaan, hoor! Jij hebt minder van „Goenong-Djatti" geprofiteerd danjootje. Maar ga je nu mee? Ik heb stevigen honger en we kunnen hen toch ook niet alleen laten zitten."

De soep was al opgedaan. Nelly lepelde met smaak haar bord leeg.

„Komt juffrouw Wardenaar niet aan tafel?" vroeg William, die nog geen gelegenheid had gehad, 't nonnaatje te begroeten, met een vragenden blik naar de leeggebleven stoel. Nel keek naar 't volle soepbord.

„Ik zal maar.... haar soep.... Ze is bepaald verrukkelijk vandaag .... En als Amelie tóch niet.. . ."

„Nee, ze komt niet," bevestigde De Klerk, kort, en hij schamperde nog „die is zoo sentimenteel, Van der Hoeff, moet je begrijpen ... ."

Voor den jongen, die pasteitjes aanbood, hield hij zich in, even. Want zoodra de Javaan weer tot bescheiden afstand van de tafel was teruggetreden, viel hij opnieuw uit, z'n stem gedempt.

„Zoo een misselijke aanstellerij.... zoo een schijnheiligheid, daar te liggen janken en grienen of 't haar eigen zuster was."

William at met goeden eetlust. Hij nam nog een tweede pasteitje van den schotel, dien de jongen na het ronddienen had neergezet en terwijl z'n mes de

Sluiten