Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigenlijk nu pas goed uit met den regen ; aan den uitgeschulpten rand van het pendoppodakje hing een beweeglijke franje van heldere droppen, voortdurend verglijdend de een in den ander. De middenste vingen kleurschampen van de Chineesche lantaarn, die daar hing stil te branden door zeskant van zacht-getinte glazen, de buitenste bleven kristallig klaar en koud. En de een na den ander tikten ze neer in 't zelf-gevormde geultje onder den rand, en dan vormden zich nieuwe, die snel in omvang toenamen, dan loslieten en neerkwamen op hun beurt.

„De rivier zal gezwollen zijn," zei De Klerk, „er is heel wat neergevallen vanmiddag."

„En wat een wind was er. De weg ligt stellig weer vol afgewaaide takken. Als de dokter maar geen ongeluk krijgt met z'n fiets."

„Als-ie 't niet aandurft, komt-ie wel met 'n karretje."

Nelly en Charlotte beiden zagen bleek van zenuwachtigheid, Charlotte met donker-omwalde oogen.

Nelly klappertandde.

,,'k Heb 't koud," klaagde ze, en drukte zich als 'n kind tegen vader Hans, „wat een ellendige avond."

„Dat is 't ook, kindje."

„Dan moet je alleen zitten, in 'n hotelkamer ergens in de binnenlanden," herdacht William, Charlotte's hand nemend in de zijne. „Het is een ellende, zoo een hotelletje op Java, het eenige van den negorij. Als je daar zit, in je wipstoel, die vervreten is van de witte mieren en je kijkt naar de tjitjaks aan de wanden — dat is een feit, als je alleen zit, dan zie je die beesten veel bewuster, en dan krijg je aanhoudend 't idee, dat ze je, ook bewust, aankijken. Stom natuurlijk.... maar 't kan je,

Sluiten