Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXII.

Het was een stille maaltijd. Zelfs Nelly had geen eetlust en niemand dacht aan plagen. Ze was bleek en nerveus en 't uitzicht op den duisteren, natten achtertuin waaruit 't woei, kil en vochtig, hinderde haar zoo zeer dat ze vader Hans verzocht, met haar van plaats te wisselen. Strak en stram als altijd, oogen half neer in de effen, niets-verradende gezichten stonden in oplettende dienhouding de beide huisjongens achter de tafel, en de kleine Oemoer, wiens werk 't was de schotels van en naar de bijkeuken te brengen en te halen, keek al even gewichtig en oplettend, zèèr onder den indruk van die benauwde, strakke stilte, iets ongewoons. Vragend zagen even z'n groote, zwarte oogen op naar de njonja, wier troetelkind hij zich wist, die hem verwende, en die hem wel confituren en bonbons gaf van de kristallen dessertschoteltjes, als hij netjes de schotels droeg en z'n best deed. Maar ze keek niet eenmaal naar hem, en de kleine Oemoer piekerde, wat er toch wezen kon, waarom de njonja zoo strak keek en niet eten wou. Zeker een perkara met den toean, besloot 't ventje ernstig en vroeg-wijs, en z'n fijne beentjes in 't

Sluiten