Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vent," schreeuwde De Klerk, „ga mee, zeg ons, waar je de nonna hebt gezien."

„Het is al te laat, toean," kwam de man, schuw

en bedeesd ,ik sprak de waarheid .... ik zag

de nonna .... ik hoorde haar gillen .... ik zag het water spatten

„En waarom heb je haar dan niet gered?"

„De rivier is hoog.... het is een waterval.... in de bergen moet het zwaar geregend hebben .... ik zou óók verdronken zijn . ..."

„We moeten gaan kijken, kom," zei de dokter.

„Nelly ga jij nu 's kijken naar Amelie's kamer," zei De Klerk .... „ik kan 't niet gelooven. Waarom in gods-naam zou ze... . de kerels zijn dol vanavond . . . ." Maar Nelly hoorde niet. 't Snikkend gillen duurde voort.

„Dan zal ik zelf...." Hij keerde zich om. De dokter was al met den waker en de beide huisjongens den tuin in, William bij de trap, stond nog besluiteloos of hij ze volgen zou .... En Nelly schreide, luid en nerveus.

Maar Charlotte, onmiddellijk voelend, dat 't wèl de waarheid moest zijn, die de oppas was komen zeggen, overstelpt door de angsten, den strijd, de emotie van dien dag, was bewusteloos neergeknakt in haar stoel, 't hoofd terzij van de leuning gegleden, de armen slaphangend, de bleeke mond half-open. De Klerk zag haar, onverwacht, ineenen, zóó ....

„Charlie," schreeuwde hij, zoo ontroerd, zoo smartelijk en onbedwongen, zoo al z'n verborgen, nauwbewuste liefde uitschreeuwend in dien eenen, onwillekeurigen angstroep, dat Nelly, bij de tafel, even op-

Sluiten