Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De beekjes schuimden witkoppend, stortten zich met kleine sprongetjes naar 't geduldig-groote meer, dat alles op kon nemen, en op de glooiende aangroenende weiden, langs bergkant en helling kleurden primavera, sneeuwklokje, krokus en gentiaan als eerste bloetnebloeisels op. 't Geel, 't paarsch, 't wit, zoo sprieterig enkel tusschen beginnend groen, leek eer 'n verweeuwing dan 'n herleving van 't jaargetijde.

De meeste wintergasten waren vertrokken, en als eerste zwaluwen waren er nieuwen aangestreken, 't Hotel had dus voor mij de gezelligheid van t oud bekende en de attraktie van 't frissche erbij.

De heer Gladziwil met z'n goevernante en kinderen behoorden, dat wist ik, tot de blijvenden, en aan 't stationnetje zag ik al haar mooi-lief gezichtje, haar zedig figuurtje, herzag ik heel haar aanminnigheid, terwijl ze stoeide, ravotte met de kleinen. Even leek 't mij, dat ze luidruchtiger deed dan voorheen en ook haar stem scheen iets harder, minder zacht vleiends te hebben, terwijl ze de kinderen een bal toewierp en van pret erbij schreeuwde, t Was misschien de lente die 't bloed opjoeg en de jonge warmte die ruchtiger maakte. Ik vond het zoo natuurlijk, dat het mij volkomen in orde

Sluiten