Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over zijn zwierigheid zat zij daar nog als 't zelfde eenvoudig vrouwtje, echt Zwitsersch-glad, al krulden de bruine haartjes boven 't egaal gezicht, en al keken wat vrijer de donkere, gestaag-groote oogen.

De kinderen zagen niet meer zoo bleekjes-wit, hadden roze kleurtjes op de wangen, kleurtjes als t rood van fletse appelen, en ze keken nog even gezeggelijk, deden bedeesd, zelfs beduusd. De verhouding scheen voortreffelijk.

De lentezon streelde over het tafeltje heen, maakte ervan een huiselijk tafereeltje.

Het buurtje naast mij, een wereldsch elegant verschijninkje met een Maeterlinck-gezichtje op bewegelijk lijf, sereen en frivool tegelijk, van 't najaar al in de bergen gekomen tegen bloedarmoede en kronische bronchitus, zag m'n belangstellend kijken, schreef dit toe aan andere oorzaak, zei nu opeens in onbedwongen ergernis:

— Wat is dat mensch hard, vind-u ook niet? Onuitstaanbaar met die kinderen!

— Wie bedoelt u? vroeg ik twijfelend.

— Wèl, die goevernante daar.

— Hè, ik meende juist

— Maar mijnheer, merkt u dan heelemaal niets ?

Vreemd keek ik op, voelde mij als iemand, die

Sluiten