Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

miljoenen groeiden in 't wilde en heele streken plekten vlokkig wit, of er sneeuw lag gespreid, als in de winter. Van beneden kwamen de menschen bij plokken om ze bij armvrachten te plukken, en hoe veel ze er ook meenamen nog meer schoten erop. De lucht hing zwoel van de zoete roke, die soms te sterk, tot scherpte verging en dan benauwde, zoodat men die bloemen niet in zijn kamer kon hebben, de sfeer daarvoor te volgeladen. In de aangelegde tuin rond 't hotel kleurde het bont van •seringen, kamperfoelie, gouden regen, en in de perken gingen ze zetten bloem na bloem, 't Fluweelig viooltje was al verdrongen, zoo goed als 't vergeet-me-nietje en de hyacinten; resida, fuchsia volgden en al wat handen maar vermochten aan te brengen, werd geplant, om de schoone bergen te verminken tot een tuin van platte lieve keurigheid.

De jonge linden, nu ook in volle blad, bogen hun takken neer tot een lommerwarande, en daaronder wandelden de hotelgasten, liep de goevernante met de kinderen, drentelde ook mijn lieftallig tafelbuurtje, nu nog mooier, eleganter, kil als glas en bijna zoo doorschijnend.

Een enkele keer dacht ik aan ons gesprek en keek dan naar de goevernante. Ze bleef dezelfde

Sluiten