Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De slee ging tegen een hoogte op, — en nu merkte ze, dat het sneeuwen had opgehouden. Ze zag ook rondom de hooge bergen, die, witbedekt, tot aan de grijze hemel reikten, waar nevelvluchten langs zogen. De felle witheid verblindde haar zwakke oogen en de koele lucht maakte haar hoofd lichter, bijna duizelig.

Ineens ontwaakte weer in haar 't besef, dat hier in die hooge bergen kans van genezen bestond voor haar arme jongen. O, ze geloofde het nu zeker!

Met knipperende oogen keek ze naar al dat verblindend wit. Ze herinnerde zich al 't mooie en goede waarvan haar jongen zoo vaak en zoo enthoesiast had geschreven, 't Was waar, ze voelde hier midden in de sneeuw bijna geen kou, of lag dat aan haar opwinding?

De koetsier hield zijn paard in. 't Was dus hier. In bevreemding keek ze naar 't gebouw, betaalde de koetsier, steeg strompelend de hooge trappen op, die ingesneeuwd, niet gemakkelijk waren en haar nog al moeite gaven.

Opnieuw verblindde haar de volle witheid van alom. De koele lichtheid van de sfeer viel op

Sluiten