Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beambte, die zijn gebruikelijke woordvoorraad had uitgeput, zweeg, en ook zij wist niets te zeggen.

Dat zwijgen klemde haar, maakte haar ineens wantrouwig. Hij zou toch niet dood zijn? Die wanhoopsgedachte flitste door haar heen, maar ze durfde het niet te vragen. Welnee, daar had-je al de zuster! Hoe kon ze zichzelf zoo'n angst opjagen. Ze zoüen 't haar toch zeggen. Dat begreep ze nu wel.

De beambte zei in een paar woorden aan de zuster waarom zij kwam, — en nu hoorde ze:

— Wil u mij maar volgen?

Ze stond stroef op, liep gedwee met de pleegzuster mee, die, aldoor een halve pas voor, trachtte een enkel woord met haar te praten; 't waren precies dezelfde vragen over de reis en de stereotiepe antwoorden die erop sloegen, in een adem door, als straks in de wachtkamer.

Ze antwoordde maar vaag, ingenomen door haar gedachten hoe ze haar arme jongen nu zou vinden. Zou hij bleek en uitgemagerd zijn, zooals ze zich een voorstelling had gevormd na die brief van de dokter of zou hij er betrekkelijk goed uitzien, met een roode kleur zooals hij zichzelf aldoor beschreef? Misschien zoowel 't een als 't ander.

Sluiten