Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zucht tot liefde woelde in haar en zocht bevrediging. Ze vond een kelneriu-betrekking waar 't ging om buitenshuis te wonen; ze kreeg nu alle avonden na twaalf uur vrij, kwam hier, kwam daar, — en onbewust, onnagedacht, ging ze tot de liefde en het lichte leven over.

Met haar aanlokkend gezicht, een gezicht aardig van ronde frischheid, wat grof maar leuk, en 't gezonde lichaam dat zwol in 't sluitend kleed, waarin later korset meer stadsche vormen zou brengen, kreeg ze aanhang genoeg, versleet als kelnerin in één jaar 'n aantal lieeren, verviel van de eene liefde in de andere, beminde zonder aan één man vast te blijven hangen. Ze voelde zich nog te sterk, te welbewust, was ook nog te landelijk, alleen in schijn bedorven, om zich geheel te verslingeren. Als ze haar wilden dwingen, haar verder voeren dan 't haar lustte, gaf ze hun de bons. Ze bleef haar zelf. Maar toch ging ze leelijk aan de rol met meisjes onder elkaar, zette de blommetjes buiten, — en verloor haar betrekking door in onverschillige bui keer op keer 'n halve dag weg te blijven. Nu raakte ze verder aan de scharrel, kreeg in een café-chantant, waar ze een revue opvoerden, als koriste plaats.

Sluiten