Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VROEGE HERFST.

— Wor-je moê, vrouw?

— 't Gaa nog al....

— Wille we effe ruste'?

— Nee, nog niet.... strakkies dan maar! Ze liepen zelf in 't zeel voor hun lichtdichte

kermiswagen, uit gebrek aan trekdieren; hij een pezige, lange vent, zij schraal met platte borst, een hoofd kleiner dan hij, en jukbeenderen die uitstaken. Telkens, van terzij, onder het trekken door, keek hij naar haar, — en ze merkte dat, wilde zich goed houden, zette steviger op.

— Je mot 'et zegge as je niet meer kunt! herhaalde hij, spoog meteen eens op de grond.

Zij gaf geen antwoord, nikte alleen met haar hoofd, trok sterker aan 't zeel, om te laten zien, dat ze kon.

De najaarzon scheen blakkerend-bleek tusschen

Sluiten