Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar zijn vrouw. Ze was zoo slap, zoo uitgeput na 't laatste kramen en ze duwde zich bij 't trekken van de wagen maar met moeite voort, al hield zij zich goed, om 't hem niet te laten merken. Hij hoorde haar zwakke adem raspen, hijgen. Dat arme wijf! 't Werd hem te erg. Opnieuw vroeg hij:

— Late we ma'r effentjes ruste. . . .

— Nee-nee!

Zij schudde haar vaal, jukbeenig hoofd, wilde er niets van weten, 't Gaf misschien nog last voor ze in Driebergen permissie kregen om te overnachten en dan moesten ze weer verderop! Het trekken ging vandaag lastig.... je zou zeggen met zulk mooi weer, maar 't was toch zoo ? Haar borst piepte en de rug deed strammig zeer, 't hoofd voelde ze kil, tuimelleeg en haar beenen gingen zoo traag. Maar ze wou 't hem niet laten blijken, sleepte zich dapper naast hem voort, haar vaalblond hoofd moeizaam naar de grond, telkens dat hoofd naar hèm oplichtend in stage lach van pijn.

Nu begon 't wicht, dat vóórop in zijn korfje lag, te kreunen, en dat kon ze niet aanhooren. 't Scheelde toch niets? Welnee! Ze suste onder het trek-loopen door, met omkeeren van 't hoofd. Maar het dreinen hield aan en dat pijnde haar

Sluiten