Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wervelde al wilder en wilder langs de wiebelende wagen. Telkens moest ze rechtop gaan zitten, om de benauwdheid te laten zakken, vol angst dat het kind nu ook nog zou beginnen.

Door 't kleine raampje gluurden haar oogen strak naar buiten, en ze zag 't maanlicht, verdronken en uiteengeslierd door de jagende wolken, als een wild-woeste verschrikking. Ze herinnerde zich niet zoo n jagende lucht ooit te hebben gezien, 't Joeg en bolderde en kopte alles dooréén.

Die wildheid boven kalmeerde haar toch. 't Was of daar een woeste strijd werd uitgestreden, een strijd zoo geweldig, dat haar eigen lijden niets erbij leek; gefaksioneerd voelde ze zich door die woestwolkende lucht, waaruit stormvlagen neersloegen. Harrie sliep, zoo dacht ze, en die wilde ze niet wakker maken. Ze trachtte zich kalm te houden en zich niet te verroeren, maar nu kwamen gedachten over haar toestand aanzetten. Wat moest er van Harrie, van t kind terechtkomen, als zij doodging? De vraag verstijfde op haar lippen, en de gedachte durfde ze niet laten doordringen in haar hersens. Nee, nee, in Godsnaam, daar niet aan denken! Zoo gauw zou 't ook niet gebeuren!

Sluiten