Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaak voorkomen; men ga maar eens na wat op kermissen voor spellen en tenten aan staangeld wordt betaald), doet zij het maar zonder. Zij kan nu toch al profiteeren van de gunstige bepaling van art. 26. Mooier hoeft het heusch niet! ')

Misschien is de grootste fout in het 2e lid van art. 5, het bestaan van het woordje „kunnen". Als daarvoor in de plaats b.v. het woordje „zullen" in de wet was gezet, zou heel wat narigheid niet geschied zijn. Doch vooral de uitlegging, die aan dit woord in het debat in de Tweede Kamer gegeven is, heeft van dit artikel in zeer veel gevallen een ramp gemaakt in plaats van een tegemoetkoming. Vergeten wij niet, dat de bedoeling een tweeledige was: men zou het aantal vergunningen boven het maximum er door inkrimpen, alzoo een voordeel in het systeem der wet; daarbij gaf het artikel gelegenheid aan vergunninghouders de vergunning te gelde te maken. Wat zag men nu in de Tweede Kamer gebeuren? De man, die zich meermalen niet vriendelijk betoonde tegenover de vergunninghouders, Mr. Goeman Borgesius, maakte zich verdienstelijk met het opsommen van een aantal gevallen waarin afstand van twee vergunningen en in de plaats verleenen van één nieuwe, geen voordeel in het systeem der wet

') Dit werd voor 't eerst gedrukt in Maart 1906. In het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer, hoofdstuk Binnenlandsche Zaken, wordt ook over de toepassing van art. 5, le lid, geklaagd. Bij het mondelinge debat werd de zaak nogmaals behandeld. Bestreden door de kamerleden, verdedigd door den Minister, werd dat men hier met buitengewone inrichtingen te doen had. Maar niemand vroeg den Minister of in deze gevallen geen toepassing mogelijk was van art. 5, 2e lid, of art. 26. Het antwoord zou, o. i., niet bevredigend geweest zijn.

Sluiten