Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ahtikel 57.

Het eerste lid van art. 2 is niet van toepassing op verkoop van sterken drank door wijnhandelaren, welke ingevolge art. 13 van de wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 127) op 1 Mei 1904 een verlengbaar crediet hadden, zoolang zij dat onafgebroken behouden en sterken drank niet anders dan bij hoeveelheden van ten minste drie liter tegelijk verkoopen voor gebruik elders dan ter plaatse van verkoop.

Het privilegie der wijnhandelaren mag ook wel beter omschreven worden, wil deze groep handelaren van last bevrijd blijven en weten hoever dit recht strekt.

De meeningen hierover loopen nog breed uiteen. Goeman Borgesius schrijft (en diens meening deelen we volkomen):

„De vraag is gesteld: hoever strekt zich het voorrecht van de wijnhandelaars uit? Er is beweerd: alleen tot die gemeenten, waar zij verlengbaar crediet hebben. Dat zou inderdaad rationeel zijn, maar er staat in het artikel niets van te lezen. De woorden van het artikel zijn zeer algemeen. Er staat zonder eenige beperking, dat het eerste lid van artikel 2 — de eisch van vergunning niet van toepassing is op verkoop van sterken drank door wijnhandelaren, welke een verlengbaar crediet hebben. Had de wetgever het voorrecht willen beperken tot zekere gemeenten, dan had die beperking uitdrukkelijk in het artikel moeten zijn opgenomen."

Daartegenover staat de meening van Mrs. Peerbolte en Blaupot ten Cate:

«Hoe ver reikt de vrijstelling, in dit artikel gegeven? Met name geldt deze vraag: geeft het artikel aan een wijnhandelaar met verlengbaar crediet het recht, om door het geheele land zonder vergunning sterken drank

Sluiten