Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De moeder, alweer met de kippige oogen vlak op haar werk lippenprevelend aan 't naadjes-tellen, knikte toestemmend. En Geert, na eerst de emmer rinkelend te hebben verzet, met zoo stoeren greep; dat 't water haast over den rand gudste, zette in, 'r zwaar-bassig geluid tot 'n schei-kraaiend, valsch sopraantje verwrongen.

«In et groe-oene dal .... in 't sti-ille dal. . . .»

o

«In 't rooie-witte-blauwe dal,» rumoerde 't ineenen uit de gang.

De moeder zuchtte .... «daar hê-je ze nou al .... zee ik 't niet ? »

«Gos-liefe-kristus,» vloekte Geert, met 'r gewone verontwaardigingsuitroep .... en uwe zee juist .... 't kon nog best klaar . . . . »

De drie jongens, echte buitenklantjes met roode wangen en gebruind vel, maar typische joodjes toch ook, om hun gladde zwarte bolletjes en flikkerende, donkere oogen, om heel hun pittig en levendig doen, waren binnengestoven, liepen op 'r moeder af, groetten en zoenden haar luidruchtig.

Loewietje, de jongste, stevige kerel van zeven, glibberde dan over 't natte zeil naar Geert, besprong haar verraderlijk van achteren en zat dan, de knietjes in haar vleezige lendenen, triomfantelijk de meid op

den rug, tongklakte greep 'r mennend bij de

ooren .... huup, pèrd ....

«Za-je.... za-je,» brieschte de meid, op-steigerend

Sluiten