Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lewietje zwaaide woest de doornatte handdoek de kamer binnen, dat-ie met 'n klets neerplofte op de nog vochtige vloer.

«Lièfe jongetjes,» ironisch-prees Geert, binnenkomend. Met 'r schort wischte ze zich neus en voorhoofd .... «ja juffrouw, as-et niet om uwe was, 'k weet werachies nie', wa 'k daan . . . .»

Hoofdschuddend liep ze naar 't keukentje terug, begon de stoelen naar binnen te halen en de jongens, ijverig, hielpen daarbij.

In 'n oogenblik stonden ze, proper, op de schoone vloer aan kant, ieder op z'n oude, gekende plaats en nu was er niets ongewoons meer in de kamer dan 't kale raam, omdat de gordijnen in de wasch waren, leek 't vertrek ineens kleiner, maar warmer en huiselijker meteen ook. De zon was toch alweer weg.

«Nou bin' jullie knappe jonges,» prees Geert.... «en nou is-et meteen bai vaife.»

De beide oudste jongens gingen nu in 't keukentje handen-wasschen en Geert, die zich bij de tafel 'n groot kop thee schonk, luisterde, 't bolblozend gelaat met de koddige mopsneus wat schuins daarheen gewend, naar 't in den gootsteen neerplassende water. De jongens lachten zacht.

«Hai .... hai . . . .» dreigde de meid, «fortmake daar hoor .... en asseblief geen herrie imme heldere keuken.»

«Mensch, we doene niks,» schreeuwde Bram terug, gebelgd.... « wat hê-jij toch altijd een praas.»

Sluiten