Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loopen, maar niet heelemaal, net of ze geen hoofd hadden. Meestal was 't poortje dicht en dan viel er niets te zien dan de bovenstukken van boomen en de toppen van telegraaf-palen met de bovenste witte isoleerpotjes. In 't lokaal stonden enkel vier lange ouwerwetsche schoolbanken, verveloos zwart-grijs, met gaten voor de inktkokers, die er niet waren, 'n roestig potkacheltje, dat voor 't gemak nooit werd weggenomen, en in een hoek 't wiebelige tafeltje met leunstoel van den Rebbe, 'n Afgeschilferd schoolbord besloeg 'n plek aan den eenen muur, tusschen een oud blikken fonteintje voor handenwasschen — waarin nooit meer was dan enkele schaarsche druppels, om naar deletter te kunnen voldoen aan 't ritueel voorschrift — en 'n houten lat met knoppen voor 't kleeren-ophangen.

Bram, een van de eersten binnen, liep naar de kapstokken, hing er brutaalweg z'n pet op.

Dat gaf van de anderen verbaasde, ontstelde uitroepen; van sommigen, die 't wat heel erg vonden, zelfs protest. Van jongsaf was ze immers geleerd, dat in sjoel of school, op alle heilige plaatsen, ook in de open lucht, een Jood 't hoofd behoorde gedekt te houden, en ze vonden er iets griezeligs in, hier, vlak bij de sjoel, en onder 't oog van den Rebbe, tegen dat gebod te doen.

Maar hun jongens-natuur, hun oproerige stemming, verhoogd door Brams prikkelend-brutaal voorbeeld hielden de overhand en allemaal liepen ze nu naar de

Sluiten