Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«'k Bin nooit zitte-'bleve,» troefde Jeltje, gebelgd.

Wacht maar, kind.... tot je in de vierde zit» neuswijsde Wies terug; «in de dèrde wordt-et pas moeielijk .... As je van de kaart leert.... enne de hoeke-'n-en-kante.» As ikke niet ziek was 'eweest, «Nou .... enne je broer dan .... is die soms ook ziek 'eweest .... Die zit nou al voor et tweede jaar in de vijfde .... enne in de vierde .... is-ie ook zitte'bleve . . . .»

«Me broer, dat bin ikke niet .... o, zoo », snibde Wies, rondkijkend met triomfblik van iemand, die iets heel snedigs heeft gezegd. Doch maar 'n enkele had wat gehoord.

Warm , verveeld slenter-schoffelden ze over 't plaatsje, door 't heete, grauwe zand, dat de vetergaatjes van hun rijglaarsjes binnendrong en jeuk-prikte door de kousen heen op de warme voetjes. Alleen, omdat 't thuis net-zoo was, en ze daar misschien zouën moeten werken, op broertje passen of booskap-doen, bleven ze nog, maar zonder plezier ....

Marietje Snel .... schichtig eerst omkijkend of Dieuw 't niet zag . . . sloop naar den slootkant, klom aarzelend-voorzichtig op 't laagste hekkelatje, 't bovenlijfje over 't water gebogen, lachte tegen den troebelen weerschijn van haar eigen klein mager gezichtje spuwde dan met spitse lipjes in 't water. Zwakke, wijd-vervloeiende kringen brachten oproer in 't stil geschaduw van blad-en-takken der beide breedkruinige

Sluiten