Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te zeggen, dat 't kwart-na-drie was en dat de Joodsche kinderen mochten heengaan. Hij zei altijd «Israeliëten» en 't was 'n kleine oplettendheid, die 'm de sympathie waarborgde van de, als alle Joden, op dat punt overgevoelige ouders. De twee kleine Joden-jongetjes in de zesde klas beluisterden 't gedempte aanstappen, glimlachten even tegen elkaar, in prettig weten, dat dit hun aanging. Ze hoorden meester de klas naast-an ingaan en 't gemurmel van z'n stem. Ook was er heel zacht gestommel al op de gang. Nu kwam bovenmeester binnen, 'n klein endje 't lokaal in, waarvan de deur openbleef en de meester zette 't broos-witte geraamtetje van 'n muisje op z'n zwart-houten plankje, neer, hield even met vertellen op, om 't schoolhoofd te laten spreken. Die zei de woorden van iedere week, maar iedere week weer nieuw en vreugd-verwekkend .... «De Israëlieten kunnen wel naar huis gaan.» De beide jongens stonden nu haastig, maar stilletjes op, en terwijl ze hun griffels bijeen-zochten, de schuiftafels sloten over hun inktpot, hield de meester z'n vertellen nog even in en ook de kinderen zwegen. Het gaf geen rumoer in de schemerige klas, achter de grijsbewaasde ruiten, eerder 'n afwachtende stilte, waarin ze allemaal naar de twee jongens zagen, tot die klaar zouden zijn en heengaan.

Dat duurde maar even.

De jongens stonden al op, groetten zacht-beleefd.... «dag meester» en de meester terug.... «dag jon-

Sluiten