Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keukenafval, aardappelschillen, koolstronken, overstrooid van oranje-bruine turfasch en uit de gootsteengaten drupte water op 't fletse ijs, wat grauw-zwarte dooiplekken gaf, ziek-voos en gaterig-rot.

1t Kindergroepje, eenmaal buiten de stille school, die ze onbewust imponeerde, werd luidruchtiger. Opgewekt-babbelend liepen ze naar huis, de vrij breede Schoolstraat door, met 'n viertal bruggetjes over de dwarsslooten, die naar weerskanten zich uitstrekten 't land in, armelijke; in de wei doodloopende straatjes erlangs. Aan weerszij van den weg dropen de kale boomen —, en verderop, tot héél ver, stonden kniezerige molens met hun stille, grauwe wieken in 't kille land te druilen.

't Onbewust-waarnemen van 't contrast tusschen dat droef en troosteloos buiten met 't blije lamplicht van de kamer thuis, warm gestookt en waar 't Sabbathmaal wachtte, doordrong de kinderen van 'n warme, intieme vreugd, 'n wèl-voelen, dat hun praten rustigblij deed zijn.

Al onder 't voortgaan slonk het groepje. Hier en daar bij 'n hoek scheidden er zich af, na 'n vroolijkgerekt diiag en de broers- en zusjes of de buurtjes, die bijeenhoorden, stapten dan vlug hun straatje in en naar huis.

Juist, waar de straat, tamelijk steil oploopend, eindigen ging in bebouwden dijk, scheidden zich bij 't laatste zijpad, vier kinderen tegelijk — twee jongens,

Sluiten