Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

twee meisjes — van 't al zeer gedunde groepje af.

't Was een nauw maar knus straatje, dat ze insloegen , niet als de meeste van 't tamelijk-arme dorp slecht geplaveid, één kant sloot en één kant huizen, doch aan weerszij huisjes, knap onderhouden, goed in de verf aan 'n zindelijk, effen-gelegd plaveisel.

Na een paar oogenblikken van vlug en zwijgend voortstappen, gingen de kinderen een van die huisjes binnen.

'n Blozende, glimmend-gewasschen vrouw, met 'n heldere katoenen japon aan, die krakerig-stijf rond haar uitstond en waar 't witte schort dunnetjes tegenaan lag, kwam ze uit de open achterkamerdeur de gang in tegemoet.

«Bê-jelui daar jonges . . . . is 't erreg koud buite?»

4 Nou» verzekerde 't jongste meisje en ze trokken haastig jassen en mantels uit, zetten de mutsen at.

«Geef alles maar hier,» zei de moeder, wachtend met uitgestrekten arm. Ze laadde 't vrachtje daarop, en borg 't in de kleerekast achter den trapopgang.

In de kamer was de lamp al aan, hoewel 't vóór half vier was, de Sabbath nog niet ingetreden, en 't kille daglicht vocht tegen den helderen schijn, die 't blinkend lampeglas ontvloeide. De vader, als de kinderen binnentraden, stond voor de spiegel, peuterde met onbeholpen vingers z'n zwart-zij vleermuizig dasje vast in 't knoopje van omgeslagen boord —; in 't glas zag hij ze binnenkomen en hij groette met een knik naar

Sluiten